|
|
Mengen - Roeren - Suspenderen - Homogeniseren - Dispergeren - Emulgeren - Begrippen
In de roertechnische wereld worden veel vaktermen gebruikt. Hieronder een verklarende woordenlijst van enkele veelvoorkomende begrippen.
De reologie definieert de vloei-eigenschappen van een vloeistof. De reologie onderscheidt o.a. newtonische, pseudoplastische, dilatante, thixotropische en reopectische vloeistoffen.
De viscositeit is de verhouding tussen de snelheidsgradiënt en de opgelegde schuifspanning. Viscositeit is een eigenschap van vloeistoffen die bepaalt hoe snel ze kunnen stromen. Water is een voorbeeld van een vloeistof met een lage viscositeit; glycerine is een voorbeeld van een vloeistof met een hoge viscositeit. Slechts een beperkt aantal vloeistoffen heeft een constante viscositeit. Vaak blijft de viscositeit bovendien slechts binnen een beperkte bandbreedte constant.
De best hanteerbare vloeistof heeft een evenredigheidsconstante viscositeit. Dat wil zeggen dat bij een toename van de schuifspanning de mate van afschuiving evenredig toeneemt. Een vloeistof met deze eigenschap wordt een newtonische vloeistof genoemd. Water is een voorbeeld van een newtonische vloeistof.
Bij sommige vloeistoffen neemt de viscositeit evenredig af bij hogere snelheidsgradiënten (= worden minder viskeus/dik). Bij een toename van de schuifspanning neemt de mate van afschuiving dan evenredig toe. Dit zijn pseudoplastische vloeistoffen. Voorbeelden: latexsuspensies, pigmentdispersies en papierpulp.
Vloeistoffen waarbij de viscositeit toeneemt bij hogere snelheidsgradiënten noemt men dilatante vloeistoffen (= worden viskeuzer/dikker). Bij een toename van de schuifspanning neemt de mate van afschuiving onevenredig af. Voorbeelden zijn: zetmeelsuspensies in water, nat zand, bepaalde keramische suspensies.
Bij sommige vloeistoffen is een tijdsafhankelijk effect te vinden op de viscositeit. Door constante beweging van de vloeistof neemt de viscositeit af (=wordt minder viskeus/dik). Nadat er vervolgens geen spanning meer op de vloeistof wordt uitgeoefend, herstelt de oorspronkelijke viscositeit zich na enige tijd. Dit zijn thixotropische vloeistoffen. Voorbeelden zijn honing, ketchup, klei-suspensies en vernissen.
Bij reopectische vloeistoffen is sprake van een tijdsafhankelijk effect op de viscositeit. Door constante beweging van de vloeistof neemt de viscositeit toe (=wordt viskeuzer/dikker). Nadat er vervolgens geen spanning meer op de vloeistof wordt uitgeoefend, herstelt de oorspronkelijke viscositeit zich na enige tijd. Dit reologisch gedrag komt weinig voor. Voorbeelden: gips-water suspensies, vanadiumoxyde in water en zeepoplossingen.
|